Deel 1 van 4
De kanalen die je al hebt
De vraag is wie je zichtbaarheid bepaalt
De meeste artsen in België zijn al ergens online te vinden. Op de site van hun ziekenhuis, op een boekingsplatform of in een lijst van een beroepsvereniging. Soms via een Google-vermelding die ze nooit zelf hebben ingevuld.
Dat lijkt genoeg tot je bekijkt wat die kanalen tonen. Meestal is dat een naam, een specialisme en een telefoonnummer. Geen uitleg over wat je doet, en geen woord over hoe een traject bij jou verloopt. Niets ook over de aandoeningen waarin je je verdiept hebt.
Een eigen website is de enige plek waar dat wel kan. Niet omdat de andere kanalen slecht zijn, maar omdat ze een ander doel hebben.
Wat een profielpagina bij het ziekenhuis niet kan
Een ziekenhuissite is gebouwd rond de instelling, niet rond jou. Dat heeft vier praktische gevolgen.
Je staat er in het sjabloon van de communicatiedienst, met evenveel ruimte als iedereen. Je kan er zelden zelf iets aanpassen, dus een nieuw raadplegingsmoment hangt af van iemand anders. Je subspecialisatie verdwijnt in de dienstnaam, terwijl je patiënt op zijn klacht zoekt. En werk je op meerdere locaties, dan vertelt geen van die pagina’s het volledige verhaal.
Daar komt bij dat je die pagina niet meeneemt. Verander je van ziekenhuis, dan begin je opnieuw bij nul.
Dit betekent niet dat je die profielpagina moet laten vallen. Een vermelding op een ziekenhuisdomein bouwt autoriteit op die je zelf moeilijk krijgt. Ze doet alleen niet wat een eigen site doet.

Wat een boekingsplatform niet kan
Een boekingsplatform lost één ding uitstekend op: een afspraak vastleggen. Sommige platformen laten mensen ook zoeken, en daar word je dan effectief gevonden. Dat is winst, en het is geen concurrent van je site.
Voor wie nog twijfelt, biedt het alleen weinig. Er staat geen uitleg over de aandoening, geen voorbereiding en geen herstel. En de bezoeker die er landt, ziet meteen ook je collega’s.
Er speelt nog iets. Op zo’n platform sta je in het sjabloon van de aanbieder, tussen collega’s die exact hetzelfde tonen. Het enige waarop je dan verschilt, is je beschikbaarheid.
Gebruik het dus waarvoor het dient. Het vult je site aan, maar het vervangt hem niet.
Deel 2 van 4
Wat een eigen site toevoegt
Wat een patiënt doet voor hij belt
Iemand met een klacht doorloopt vaste stappen. Eerst wil hij weten wat hij heeft en of het ernstig is. Dan zoekt hij wie hem daarbij kan helpen. Daarna weegt hij af of hij die arts vertrouwt. Pas op het einde maakt hij een afspraak.
In die eerste stappen komt je naam meestal nog niet voor. Wie enkel een naamvermelding heeft, komt pas in beeld bij de laatste stap. Dus bij iemand die je naam al kende.
Patiënten typen bovendien zelden de vakterm. Jij schrijft gonartrose, je patiënt typt versleten knie. Een site die alleen je specialisme noemt, sluit dus niet aan op zijn woorden.
Wat een eigen site wel doet
Hij legt uit in jouw woorden. Hoe jij een behandeling aanpakt, wat je patiënt mag verwachten, en waarin jouw manier van werken verschilt. Dat mag je vertellen, zolang je informeert en niet aanprijst.
Hij vangt de vragen op die je secretariaat krijgt. Nuchter blijven, wanneer het verband eraf mag, wanneer je weer mag rijden. Dezelfde vragen, elke week opnieuw, en telkens aan de telefoon.
Hij maakt je vindbaar op de aandoening. Een pagina per aandoening beantwoordt de vraag die iemand aan Google stelt. Ze blijft ook staan nadat het gesprek voorbij is.
Hij helpt je verwijzers. Een huisarts die weet waar jouw uitleg staat, verwijst makkelijker. Hij kan een link meegeven in plaats van zelf uit te leggen wat er gaat gebeuren.
Hij maakt je citeerbaar voor antwoordmachines. Wie een vraag stelt aan een chatbot, krijgt een antwoord met een handvol bronnen in plaats van tien links. Daarvoor heb je pagina’s nodig met een verifieerbare medische auteur.
Hij werkt ook voor rekrutering. Zoekt een assistent of een verpleegkundige informatie over jouw dienst, dan is een profielpagina in een ziekenhuissjabloon zelden overtuigend.

Een website is ook een instrument in je raadpleging
Dit wordt het vaakst over het hoofd gezien. Een goede site helpt niet enkel wie je nog niet kent. Hij helpt ook de patiënt die net bij je zat.
Onderzoek toont dat patiënten 40 tot 80% van een gesprek meteen kwijt zijn. Van wat wel blijft hangen, onthouden ze ongeveer de helft fout. Gezondheidsvaardigheden dalen namelijk onder stress. In de spreekkamer is iedereen tijdelijk laaggeletterd.
De onrust komt bovendien later. UX-onderzoek toont een piek 24 tot 27 uur na het gesprek, wanneer je dienst gesloten is. Mensen herlezen dan wat ze kregen, op zoek naar geruststelling.
Een pagina waarnaar je kan verwijzen, vangt dat op. Een zin als “dit staat allemaal nog eens rustig op mijn site” maakt een consultatie korter en een patiënt geruster.
Benieuwd wat een patiënt vandaag over jou vindt?
Wanneer je géén eigen website nodig hebt
Dit hoort in een eerlijk artikel te staan, ook al schrijven wij websites.
Werk je uitsluitend op verwijzing en heb je geen ambitie om te groeien, dan levert een eigen site je weinig op. Datzelfde geldt als je binnen twee jaar stopt, of als je agenda al vol zit met het werk dat je graag doet.
En een website die je niet bijhoudt, is erger dan geen website. Verouderde uren, een arts die er niet meer werkt, of een pagina van jaren geleden: dat kost je meer vertrouwen dan een lege plek.
Kan je geen tijd vrijmaken en wil je niets uitbesteden, begin er dan niet aan. Zet in dat geval liever je Google Bedrijfsprofiel volledig in orde. Dat kost niets en het is in één zitting geregeld.
Deel 3 van 4
Wat niet meer volstaat
Wat er verandert nu patiënten aan AI vragen
Tot voor kort was de vraag of je in de tien blauwe links stond. Die vraag is aan het verschuiven.
Wie zijn klacht intypt bij een chatbot, krijgt geen lijst maar een antwoord. Daaronder staan een handvol bronnen. Sta je daar niet bij, dan kom je in dat gesprek niet voor.
Wat zo’n systeem oppikt, is redelijk voorspelbaar. Het citeert pagina’s met een duidelijke structuur, met koppen die een echte vraag stellen. Het antwoord staat er dan meteen onder, in de eerste zinnen. Ook een verifieerbare auteur weegt mee, met specialisme en RIZIV-nummer.
Voor een arts is dat eerder goed nieuws. Precies wat de deontologie van je vraagt, feitelijk zijn en onderbouwd, is wat een antwoordmachine beloont. Superlatieven leveren daar niets op.
Verwacht er geen trucs bij. Google zegt zelf dat er geen aparte optimalisatie voor AI-antwoorden bestaat. De winst zit in structuur, in dekking van de vraag, en in autoriteit.
Er is wel een voorwaarde die vaak misloopt. Je inhoud moet in de HTML staan en niet pas na het laden verschijnen. Content die JavaScript nodig heeft om zichtbaar te worden, bereikt niet elke crawler.
Op deze site
De valkuil: een site die niets doet
Veel praktijksites die wij doorlichten, bestaan wel maar werken niet. Ze tonen een naam, een foto en een contactformulier.
Zo’n site wordt enkel gevonden door wie al weet dat je bestaat. Hij beantwoordt geen enkele vraag die een patiënt vooraf heeft. Dus neemt hij ook geen telefoons weg.
Het verschil zit niet in het design maar in de inhoud. Vijf pagina’s die echt iets uitleggen, doen meer dan dertig pagina’s die enkel bestaan.
Deel 4 van 4
Waar je aan begint
Wat een website minimaal moet kunnen
Vier dingen, en de volgorde is bewust:
- Je praktische informatie klopt en staat er voluit. Adres, telefoonnummer en uren buiten het contactformulier. Zet je conventiestatus er meteen bij.
- Er staat inhoud over wat je behandelt. Minstens de drie tot vijf aandoeningen die je het vaakst ziet.
- Je kan zelf aanpassen wat vaak verandert. Uren, een nieuwe collega, een gewijzigd protocol.
- Er staat een auteursblok onder je medische teksten. Naam, specialisme, RIZIV-nummer en de datum van je nalezing.
De rest is verfijning. Ga er wel van uit dat je bezoeker op zijn telefoon kijkt. Dat is ook de versie waarop Google je beoordeelt.
Wat het van jou vraagt
Minder dan artsen vrezen, op voorwaarde dat de werkverdeling klopt.
De klassieke aanpak vraagt jou om teksten, en die teksten komen nooit. De werkende aanpak vertrekt van wat er al is. Je brochures, je ontslagbrieven en de richtlijn die je volgt. Iemand anders schrijft daaruit een eerste versie, en jij corrigeert.
Reken op twee leesrondes per aandoening. Corrigeren gaat sneller dan bedenken.
Op deze site
Waaraan je merkt dat het werkt
Bezoekersaantallen zijn de minst interessante maatstaf. Ze stijgen ook als de verkeerde mensen langskomen.
Deze vier signalen zeggen meer:
Je secretariaat krijgt andere vragen. De vragen over voorbereiding en herstel verdwijnen, de vragen die overblijven zijn persoonlijker. Dit merk je meestal het eerst, en het staat in geen enkel rapport.
Patiënten komen voorbereid binnen. Ze kennen de term, ze weten wat er gaat gebeuren, en ze hebben gerichte vragen. Het gesprek gaat dan over hun situatie in plaats van over de basis.
Je wordt gevonden op de aandoening. Kijk in Search Console op welke zoekopdrachten je binnenkomt. Staan daar klachten in plaats van enkel je naam, dan werkt de inhoud. In diezelfde rapporten zie je ook of je in AI-antwoorden opduikt.
Verwijzers sturen gerichter door. Een huisarts die jouw uitleg kent, stuurt patiënten die bij jou horen. Dat verhoogt niet je aantal, wel de match.
Het derde signaal heeft het meeste tijd nodig. De eerste twee merk je vaak sneller, want daarvoor volstaat het dat je naar je eigen pagina’s kan verwijzen.

Veelgestelde vragen
Mag ik als arts een eigen website hebben?
Ja, artikel 37 van de Code van medische deontologie laat uitdrukkelijk toe dat je je activiteit kenbaar maakt. Volgens de Orde dient goede informatie voor het publiek zelfs de volksgezondheid.
Wat mag er niet op?
Patiëntgetuigenissen, vergelijkingen met collega’s, beloftes over het resultaat en wervende publiciteit. Vermeld ook nooit “gratis” bij een verstrekking, en verwijs niet naar terugbetaling in je publiciteit.
Ik sta al op de site van het ziekenhuis, is dat niet genoeg?
Een ziekenhuisprofiel toont je naam en je dienst, zelden je subspecialisatie of hoe een traject verloopt. Je kan er bovendien zelden zelf iets aanpassen, en je neemt de pagina niet mee bij een verhuis.
Heb ik een eigen domeinnaam nodig?
Ja, en die zet je op je eigen naam. Staat je domein op naam van je bureau of van je ziekenhuis, dan ben je minder vrij dan je denkt bij een verhuis.
Hoeveel pagina’s heb ik nodig?
Minder dan je denkt. Een goede praktijksite start met je praktische informatie, je profiel en drie tot vijf aandoeningen. Uitbreiden doe je op basis van wat mensen effectief zoeken.
Wat kost een praktijkwebsite?
Dat hangt af van het aantal artsen, het aantal aandoeningen en of er nog beeldmateriaal gemaakt moet worden. Wat jouw situatie vraagt, komt in een eerste gesprek naar boven.

Over de auteur
Wout is arts-specialist in opleiding orthopedische chirurgie in UZ Leuven, en oprichter van Zorg Voor Digitaal. Hier schrijft hij voor collega's over online zichtbaarheid. Dezelfde regels gelden voor zijn eigen naam, dus hij weet waar ze knellen.
Nagelezen op 8 augustus 2026
Zelf aan de slag met je zichtbaarheid
Een gesprek van twintig minuten volstaat om te weten waar bij jou de winst zit.


